Valinor, een uitgebreide geografie

‘[Land] van de Valar’ (Q.; van de oudere vorm Valinórë ‘[Volk] van de Valar’). De naam in de Hoog-elfse taal voor de tweede woonplaats in Arda van de Valar of Machten, wier hoofdstad Valimar of Valmar was. Het woord Valinor heeft herhaaldelijk betrekking op het Eiland Aman, maar in zijn latere betekenis slaat het alleen op dat deel van Aman, dat ten westen van de Bergen van Verdediging (Pelóri) lag; in deze vorm komt men het ‘t meest voor. (extract uit de Tolkien Lexicon, J.E.A. Tyler)

Inleiding:
In Valinor, ‘Land van de Valar’, bevinden zich de huizen, tuinen en torens van de Valar. In dat beschermde land, want hun eerste woonplaats, Almaren, was vernietigd door Melkor, de broer van Manwë, verzamelden de Valar een grote hoeveelheid licht en brachten er al de mooiste dingen heen die voor verwoesting waren behoed. Maar natuurlijk maakten de Valar veel andere, mooiere dingen opnieuw zodat Valinor nog mooier werd dan Midden-Aarde in het Voorjaar van Arda. Het werd het Gezegende Rijk (in feite was dit heel Aman) genoemd omdat de Onsterfelijken er woonden en niets er vervaagde of verwelkte. Er was geen enkel vlekje op een bloem of en blad, er was geen bederf of ziekte in iets levends. Zelfs stenen en wateren waren er geheiligd!

Ligging:
Valinor ligt in het uiterste westen van Arda,op het werelddeel Aman, aan de grenzen van de wereld. De westkust kijkt uit op de Buitenste Zee, Ekkaia zoals de Elfen het noemen, die het Koninkrijk van Arda omringt. Achter Ekkaia liggen de Muren van de Nacht. De oostkust van Valinor kijkt uit op Belegaer, de Grote Zee van het Westen. Later, toen Melkor terugkwam nadat hij Almaren, de eerste woonplaats van de Valar, vernietigd had, richtten de Valar de Pelóri op, de Bergen van Verdediging. Die bergen zijn de hoogste van de wereld en liggen in het uiterste oosten van Valinor. De hoogste berg van de Pelóri is de Taniquetil (Hoge Witte Top, Q.), ook wel Oiolossë (Berg Immerwit, Q.) of Amon Uilos (S.) en Elerrína (Sterrengekroonde, Q.) genoemd. Later, toen de Elfen kwamen, werd het oosten van Valinor aan hen gegeven en herdoopt in Eldamar.

Over de woonplaatsen van de Valar:
Op die heilige berg bevinden zich de paleizen van Manwë Súlimo, de nobelste van de Ainur en Varda (Elbereth, S.), zijn echtgenote. Vandaar uit kunnen ze tot in het verste Oosten kijken en als ze bij elkaar zijn kan Manwë alles zien en Varda alles horen.

Midden in het Gezegende Rijk zijn de woningen van Aulë de Smid, de Vala die de meeste dingen in Valinor schiep. Hij werkte er lange tijd en maakte veel mooie, goedgevormde zaken, zowel in het geheim als openlijk.

In het westen van Valinor woont Námo (de Rechter, Q.), bewaker van de Huizen van de Doden en ontbieder van de geesten van gesneuvelden, die ook Mandos genoemd wordt. De stervende Elfen worden verzameld in de Zalen van Mandos. Vandaar kunnen ze terugkeren wanneer ze willen. Deze Zalen worden behangen met webben, gemaakt door Vairë de Weefster, de echtgenote van Námo. Die webben verhalen over alle dingen die ooit in de Tijd geweest zijn.

Irmo, ook wel Lórien genoemd woont in Lórien waar zijn tuinen zijn. Hij is de meester van dromen en visioenen. Zijn tuinen zijn de mooiste van de hele wereld en zijn gevuld met geesten. In die tuinen ligt een meer, Lórellin, beschaduwd door bomen. Daar slaapt Estë, de echtgenote van Irmo, overdag op een eiland. Estë, de vriendelijkste van de Valar en altijd in het grijs gekleed, geneest wonden en vermoeidheid want haar voornaamste gave is rust. En iedereen in Valinor komt naar de fonteinen van Irmo en Estë om verfrissing op te zoeken.

De Zalen van Nienna bevinden zich in het westen van Valinor, aan de grenzen van de wereld. Omdat ze de Vala van rouw en verdriet is gaat ze bijna nooit naar Valmar aangezien alles er vrolijk is.

Maar Valinor wordt niet alleen bewoond door de Valar en de Elfen; ook Maiar wonen in Valinor zoals Ilmarë, dienstmaagd van Varda, en Eönwë, de vaandeldrager en heraut van Manwë.

Over Valmar en de twee Bomen:
Toen Valinor voltooid was, stichtten de Valar in het midden van de vlakte achter de Pelóri de stad met vele klokken, Valmar (ook Valimar). En voor de Westelijke Poort wierp zich een groene heuvel op, Ezellohar (ook Corollairë), die gewijd werd door Yavanna Kementári, echtgenote van Aulë, en besprenkeld met tranen van Nienna. Yavanna zong een machtig lied terwijl de Valar zwijgend op hun tronen in de Kring van Doem, (Máhanaxar, Q.) zaten vlakbij de gouden poorten van Valmar, waar ze ook hun wetten uitvaardigden. Op die heuvel ontsproten de Twee Bomen, de beroemdste creatie van Yavanna, en kwamen tot volle wadom terwijl ze haar lied zong. De oudste Boom heette Telperion (ook Silpion en Ninquelótë, Witte Bloesem, Q.) en de jongste Laurelin (ook Malinalda en Culúrien). Telperion droeg donkergroene bladeren met aan de onderkant glinsterend zilver “en uit elk van zijn talloze bloemen viel altijd een dauw van glinsterend licht en de aarde eronder was bespikkeld met de schaduwen van zijn trillende bladeren” . Laurelin droeg dan weer bladeren met een frisse, jonge groene kleur en had randen van glinsterend goud. De bloemen hingen aan zijn takken in trossen van geel vuur “elk gevormd als een gloeiende hoorn die de regen op de grond liet stromen, en de bloesem verspreidde warmte en een sterk licht”. De Dauw van telperion en de regen van Laurelin werden door Varda in grote vaten opgeslaan “als glanzende meren die voor heel Valinor als bronnen van water en licht waren”.En met de Bomen begonnen de Dagen van Gelukzaligheid in Valinor en ook de Tijdrekening. Later werden ze vernietigd door Melkor, hoewel een loot van Telperion het overleefde.

Gebruikte bronnen:
De Tolkien Lexicon, J.E.A. Tyler
De Silmarillion, J.R.R. Tolkien

Thomas Denys

Gepubliceerd in: on september 20, 2008 at 4:48 pm Laat een reactie achter
Tags: , , , , , , , ,

De trackbackURI naar dit bericht is: http://middenaarde.wordpress.com/2008/09/20/valinor-een-uitgebreide-geografie/trackback/

RSS feed voor reacties op dit bericht.

Leave a Comment